Functionele cookies

Wij plaatsen functionele cookies om deze website naar behoren te laten functioneren en analytische cookies waarmee wij het gebruik van de website kunnen meten. Deze cookies gebruiken geen persoonsgegevens.

Gepersonaliseerde informatie

Hiermee ontvangt u gepersonaliseerde informatie op onze website die wordt afgestemd op uw internetgedrag.

Gemeenten luiden de noodklok over jeugdzorgbudgetten die opraken. De VNG vraagt zelfs om een noodfonds. Maar is meer geld wel de (hele) oplossing?

Uit data-analyses die we bij gemeenten doen, blijkt steeds weer dat de gemeente verrast is bij welk type huishoudens de jeugdzorg concreet terecht blijkt te komen. De vervolgvraag is dan: is het inzetten van het budget ook effectief genoeg, gelet op de huishoudens die wel én de huishoudens die op dit moment geen jeugdhulp ontvangen? En zijn de gemeenten op dit moment voldoende in staat om gericht preventief te handelen, als proactieve vorm van 'investeren in het verminderen van de uitgaven'?

‘Wat’ steeds helderder, ‘aan wie’ nog niet

Gemeenten hebben steeds beter in beeld welke verstrekkingen ze doen in het sociaal domein en tegen welke bedragen. Het ‘wat’ wordt dus steeds duidelijker, maar ‘aan wie’ blijkt vaak nog onscherp.

Uiteraard heeft elke cliënt een naam en gezicht. Maar wat zijn zijn of haar verdere achtergronden? Van welk huishouden (de ‘mini-samenleving’) maakt de cliënt deel uit en wat zijn daarvan de sociale en economische omstandigheden en perspectieven? En, als we uitzoomen tot boven het niveau van de individuele verstrekkingen, aan welke groepen verstrekt de gemeente dan vooral de zorg? Zijn dat de veronderstelde groepen of weet de gemeente bepaalde groepen niet te bereiken?

Doelgroep jeugdverstrekkingen valt op

Als we vanuit onze eigen ervaringen bij een aantal gemeenten naar totalen van de verstrekkingen in het sociaal domein kijken (Jeugd, Participatie en Wmo), zien we het beeld ontstaan dat de meeste verstrekkingen terechtkomen bij sociale profielgroepen waar we ze intuïtief ook wel verwachten. Het gaat hierbij om huishoudens met relatief een laag inkomens- en opleidingsniveau, beperkte koopkracht, een lage sociale klasse en een hogere kwetsbaarheid.

Zoomen we echter in op de jeugdverstrekkingen, dan komt een ander beeld naar voren. Een aanzienlijk deel van deze verstrekkingen (soms tot wel 90%) komt terecht bij hoogopgeleide huishoudens met 1,5 of 2 keer het modaal inkomen of zelfs meer.

Inzicht dat tot vragen leidt

Wat zegt het een gemeente als 90% van haar jeugdverstrekkingen bij dit type huishoudens terechtkomt? En dat slechts 10% van deze verstrekkingen bij alle andere huishoudentypes geleverd wordt? Verstrekt de gemeente wel aan de juiste mensen? Zo niet, hoe kan overbesteding aan de ene kant en onderbesteding aan de andere kant ontstaan en blijven bestaan?

Hoogopgeleide goedverdienende tweeverdieners als grootverbruikers van jeugdhulp. Wat kan daarvoor de reden zijn? In gesprekken met gemeenten noteerde ik de volgende reacties:

  • “Die ouders werken allebei en hebben geen tijd om op te voeden.”
  • “Die mensen accepteren niet dat zij als hoogopgeleiden een kind hebben waar ‘iets mee is’ en lopen zo nodig daarom de deur van de huisarts dus plat.”
  • “Hoogopgeleide jonge ouders hebben het op hun werk helemaal voor elkaar, maar zijn de meest onzekere opvoeders die je kunt tegenkomen.”

Of hier iets in zit? Misschien wel. Meer diepgaand onderzoek is uiteraard nodig voordat we echt conclusies kunnen trekken. Wel is duidelijk dat we het cruciale kwalitatieve aspect missen, als de discussie over de budgetten in de jeugdhulp op het kwantitatieve niveau blijft hangen.

Gerelateerde artikelen
Alle artikelen