Op Twitter lees ik vandaag de verzuchting dat allerlei tweets over noodzakelijke veranderingen in de jeugdzorg vooral worden geschreven door adviseurs. Ik herken die verzuchting. Er zijn gelukkig een paar uitzonderingen (bijv. @egerrit; @hugovaneijk; @marienneverhoef), maar de meeste zijn van (halve) buitenstaanders.
Wat mij verder opvalt, is dat veel tweets wijzen op nieuwe documenten of voornemens van overheden over de transitie in de jeugdzorg. Het komt voor dat ik op één dag 5 (re)tweets krijg over een landelijk of provinciaal beleidsdocument. Ook maken sommige twitteraars verschillende tweets achter elkaar over allerlei nieuwe informatie over door overheden gewenste veranderingen in de jeugdzorg. Wat moet ik daarmee, vraag ik mij af? Het enige voordeel is dat ik niet meer hoef te googelen of nieuwsbrieven moet checken of er wat nieuws is verschenen.
// Bijzonder: oud denken op een modern medium //
Een andere tweet verwijst mij naar een interessante column van Lenette Schuijt over failliet verandermanagement. De centrale these van deze column is dat veel verandermanagement voortkomt uit het idee van de één die vindt dat een ander moet veranderen. Zo'n opvatting over veranderingen in de organisatie komt per definitie weerstand tegen en leidt vaak tot mislukkingen. De oratie Wolkenridders van Thijs Homan schiet mij door het hoofd. Daarin ageert hij tegen iedereen die komt met een verhaal dat het allemaal anders moet. Feitelijk bedoelt die persoon dat anderen moeten veranderen.
Moet het dan bij voorbeeld op de manier van Buurtzorg Nederland? Ik moet zeggen dat ik het niet weet. Mede op basis van mijn ervaring als organisatie-adviseur geloof ik namelijk niet in algemeen toepasbare organisatie-modellen. De kunst is steeds contingent te organiseren: passend bij de kenmerken van de doelgroep, de lokale sociale infrastructuur en de medewerkers in de jeugdzorg. Buurtzorg is zelf ook terughoudend over de algemene toepasbaarheid van haar model.
Het belangrijkste vind ik dat mensen met en in verbinding met jeugdzorg, met de soms heel moeilijke probleemsituaties van huishoudens en kinderen de kans krijgen om jeugdzorg zo te organiseren dat het de hulpverlening stimuleert in plaats van belast (vaak met een hoop bureaucratie). Alleen dan wordt de kans dat het beter gaat in de jeugdzorg, groter.