Sinds eind april lopen vele honderden bouwprojecten in Nederland een groot juridisch risico. En dat terwijl de kredietcrisis voor steeds meer onzekerheid en vertraging zorgt in gebiedsontwikkelingsland. Twee tegenstrijdige uitspraken van voorzieningenrechters (nota bene van dezelfde Arnhemse Rechtbank!) zorgen voor grote onduidelijkheid. Zijn 'oude' vrijstellingen nu wel of niet (meer) toepasbaar?
Wat is er aan de hand?
Onder de nieuwe Wro zijn de 'oude' artikel 19 lid 1 en 2 WRO-vrijstellingen niet meer mogelijk. Gemeenten hebben op de valreep (vóór de inwerkingtreding van de nieuwe Wro per 1 juli 2008) massaal zogenaamde 'losse' aanvragen (= zonder bouwaanvraag) voor deze vrijstellingen ingediend of laten indienen. Zo wilden ze nog gebruik maken van de praktische voordelen die deze procedures boden. De gemeenten verlenen nu de bijbehorende bouwvergunningen (allemaal aangevraagd ná 1 juli 2008). In de bezwaarfase blijkt bij de voorzieningenrechter dat er tegenstrijdige interpretaties van het overgangsrecht mogelijk zijn. Het ministerie van VROM was (en is) van mening dat de oude vrijstellingen nog steeds toepasbaar zijn. Één voorzieningenrechter schorste eind april een bouwvergunning, omdat hij vond dat dat niet meer kan. Een andere gaf half juli uitdrukkelijk aan dat het volgens hem wél kan (al schorste hij vervolgens toch de bouwvergunning, om een andere reden.)
Gevolgen
Deze onduidelijkheid heeft verstrekkende gevolgen; de kans is groot dat bouwplannen die via deze constructie vergund zijn allemaal geschorst worden, totdat er een definitief eindoordeel komt in deze kwestie.
//De vertraging die dit kan opleveren bedraagt al gauw anderhalf jaar, als VROM niet snel ingrijpt.//
Geen schoonheidsprijs
Persoonlijk kan ik me wel vinden in de VROM-redenering, die ook in de uitspraak van 17 juli jl. wordt gevolgd. De manier waarop het overgangsrecht is geformuleerd verdient naar mijn idee geen schoonheidsprijs, maar de bedoeling van de wetgever is duidelijk. Met 'oude' vrijstellingen kun je ook 'nieuwe' vergunningen verlenen (zie ook de memorie van toelichting bij art. 9.1.10 Invoeringswet Wro). De lijn die de voorzieningenrechter in de uitspraak van 22 april jl. volgt, is volgens mij te strikt en theoretisch. Ik heb zelf nog geen praktisch bezwaar tegen de VROM-redenering kunnen vinden (al sta ik uiteraard open voor andere meningen; reageer dus vooral op dit blog!).
Herstel aanstaande!?
Vanuit de praktijk is er al eerder op gewezen dat deze situatie zich zou gaan voordoen. Toch besteedt de Wro-reparatiewetgeving die op dit moment in procedure is hier geen aandacht aan (zie artikel van Klijn en Leijh in Cobouw). Het schijnt dat de aanstaande Crisis- en Herstelwet de broodnodige duidelijkheid zal verschaffen (zie artikel Leijendeckers in Newsflash Real Estate & Construction, 2009, nr. 1). Het is de bedoeling dat deze wet per 1 januari aanstaande in werking treedt. De ontwerptekst van het wetsvoorstel ligt momenteel voor advies bij de Raad van State. De tekst is nu nog niet openbaar. De onzekerheid duurt voorlopig dus nog even voort…